Bijdrage tot modernisering van joods onderwijs
Op korte termijn bleek het onderwijs aan de joodse school in Groningen te modern voor traditioneel levende joden.
(RHC GrA Tg 1769 invnr. 10604)
Maar de idealen die ten grondslag hadden gelegen aan de school en haar lesprogramma zouden nog decennia later als voorbeeld dienen voor joodse scholen elders in Nederland. En in die zin was het bestaan van Tipereht Bachurim wel degelijk belangrijk.
Hoewel het instituut Tipereth Bachurim bedoeld was voor alle sociale bevolkingsgroepen, bleek dit toch al te vooruitstrevend. Al in 1818 ontstond in de kelder van het gebouw een gedeelte voor de allerarmste kinderen. In 1824 werd de scheiding tussen arme en rijke kinderen op het instituut definitief bezegeld.
Deze ontwikkeling was al eerder begonnen. Vanaf 1818 stuurden gegoede ouders hun kinderen naar zogenaamde "burgerscholen" van particuliere onderwijzers. Maar de splitsing van de school in een"‘arm" en "rijk" deel ook een gevolg van administratieve regels. Het ministerie van onderwijs subsidieerde namelijk de armenscholen en wilde een duidelijker inzicht in de besteding van dit geld, dat alleen aan de armen ten goede mocht komen.
Zo zien we dat na een korte periode van de hoog gestemde idealen van de oprichters in de praktijk weinig was overgebleven. Zowel binnen joodse als niet-joodse kring was de weerstand tegen dergelijke onderwijsvernieuwingen te groot. Maar hiermee is allerminst gezegd dat het belang van het Instituut beperkt was. Tot ver in de 19e eeuw zou het lesprogramma ten voorbeeld worden gesteld aan andere joodse scholen.
Hoewel het instituut Tipereth Bachurim bedoeld was voor alle sociale bevolkingsgroepen, bleek dit toch al te vooruitstrevend. Al in 1818 ontstond in de kelder van het gebouw een gedeelte voor de allerarmste kinderen. In 1824 werd de scheiding tussen arme en rijke kinderen op het instituut definitief bezegeld.
"Burgerscholen"
Deze ontwikkeling was al eerder begonnen. Vanaf 1818 stuurden gegoede ouders hun kinderen naar zogenaamde "burgerscholen" van particuliere onderwijzers. Maar de splitsing van de school in een"‘arm" en "rijk" deel ook een gevolg van administratieve regels. Het ministerie van onderwijs subsidieerde namelijk de armenscholen en wilde een duidelijker inzicht in de besteding van dit geld, dat alleen aan de armen ten goede mocht komen.
Zo zien we dat na een korte periode van de hoog gestemde idealen van de oprichters in de praktijk weinig was overgebleven. Zowel binnen joodse als niet-joodse kring was de weerstand tegen dergelijke onderwijsvernieuwingen te groot. Maar hiermee is allerminst gezegd dat het belang van het Instituut beperkt was. Tot ver in de 19e eeuw zou het lesprogramma ten voorbeeld worden gesteld aan andere joodse scholen.
Idealen niet verwezenlijkt
De joodse lerarenopleiding in Amsterdam was de belangrijkste leverancier van moderne onderwijzers. En omdat dit instituut gedomineerd werd door hervormingsgezinde joden sijpelden hun idealen langzaam door tot in alle uithoeken van het land. Het ideaal dat onderwijs aan joodse kinderen tot zou bijdragen aan een veranderende beroepsuitoefening kwam niet uit. Rond 1800 werkten de meeste joden in dienstverlenende beroepen en in 1900 was dit nog steeds het geval.
Toch was in het algemeen de situatie rond 1900 niet te vergelijken met die rond 1800. Joodse kinderen hadden nu dezelfde mogelijkheden en kansen als niet-joodse kinderen. Van de zogenaamde "beschavingsachterstand" ten opzichte van de niet-joodse kinderen was geen sprake meer. Wat ook veranderde was het streven naar "godsdienstzin". Rond 1900 was de kennis omtrent de eigen religie afgenomen. Maar dat kan de onderwijsvernieuwers nauwelijks aangerekend worden: dat beleid was meer gericht op het creëren van deugdzame burgers dan van vrome joden.
